033 - 46 12 680 info@expertis.nl
Home » Nieuwsoverzicht » Hoe definitief is het stempel ‘zwakke rekenaar’?

Hoe definitief is het stempel ‘zwakke rekenaar’?

Basisschoolleerlingen krijgen al snel het label ‘zwakke rekenaar’ opgeplakt. Terwijl dit een veel te eenzijdig label is, stelt promovenda Marije Huijsmans in haar onderzoek. Op 6 oktober deelt zij haar bevindingen tijdens het symposium ‘Alle kinderen kunnen leren rekenen!’. Wij spraken haar alvast over haar interessante proefschrift naar de verschillen tussen leerlingen met en zonder rekenproblemen.

Zwakke rekenaar of dyscalculie

‘Er is een verschil tussen zwak zijn in rekenen en dyscalculie. Bij dyscalculie hebben leerlingen een officiële rekenstoornis, zwak zijn in rekenen is een begrip dat breder is. Maar ook zonder de diagnose dyscalculie kan een leerling moeite hebben met rekenen of wiskunde. Ongeveer twee procent van de Nederlandse leerlingen heeft officieel gediagnostiseerde dyscalculie, bij de zwakste 20 tot 25% van leerlingen in Nederland spreek je over rekenproblemen. Voor het stellen van de diagnose dyscalculie worden de zogenaamde ERWD-criteria gehanteerd (Ernstige RekenWiskunde-problemen en Dyscalculie, red.). Daarvoor moeten leerlingen bij Cito-toetsen consistent bij de laagste 10 procent zitten qua scores en mag extra hulp niet tot verbetering hebben geleid. Bovendien moet het probleem specifiek om rekenen gaan: aandachts- of leesproblemen, of een laag IQ, mogen geen verklaring zijn. Iemand die slecht is in rekenen heeft dus niet automatisch dyscalculie.’ Marije voegt daaraan toe: ‘Een rekenstoornis leidt niet tot een probleem met leren, maar is een probleem met leren. Over de oorzaken van een rekenstoornis wordt in de definities niet gerept, terwijl die minstens zo interessant zijn. Juist in die oorzaken heb ik mij in mijn onderzoek bestudeerd.’

 

Eén profiel?

In haar onderzoekspopulatie zijn zowel zwakke rekenaars als leerlingen met dyscalculie onderzocht. Marije put haar kennis uit een dataset van bijna 300 basisschoolleerlingen die zij heeft gevolgd, verspreid over 11 scholen in het hele land. ‘Een deel van hen is een zwakke rekenaar. In groep 6 en 7 hebben deze leerlingen verschillende keren toetsen gemaakt die hun cognitieve- en rekenvaardigheden testten.

 

Van kennis naar praktijk

‘Ik hoop dat mijn onderzoek meer bewustwording creëert bij leraren. Bewustwording over de diversiteit in achtergrond van rekenproblemen. Of ik moeite heb met het ‘label’ dyscalculie? Dat vind ik een lastige vraag. Ik denk dat het label een doel moet dienen en niet andersom: het moet geen doel zijn om een label te plakken. Sommige leerlingen zullen baat hebben bij de extra steun die vrijkomt bij zo’n label. Al is het in de vorm van erkenning. Maar er kleven zeker nadelen aan dit soort labels. Vooroordelen als ‘jij hebt dyscalculie, dus je kan toch niet rekenen’, liggen op de loer. Ik ben ervan overtuigd – en uit mijn onderzoek blijkt – dat de ene leerling met dyscalculie de ander niet is. De ene leerling zou in het ene domein weer veel meer kunnen laten zien en in een ander domein niet. Er is altijd veel potentie te benutten. De uitspraak ‘jij kan niet rekenen en gaat het ook nooit leren’ vind ik dus echt te ver gaan. Bovendien komen sommige leerlingen nét niet in aanmerking voor de diagnose dyscalculie. Maar hoe dan verder? Ik zou de aandacht willen verschuiven naar de vraag: ‘Wat heb jíj nodig?’.’

 

Onderwijsbehoeften

In plaats van louter het label ‘zwakke rekenaar’ op een leerling te plakken, zou het beter zijn om te kijken naar zijn of haar gehele profiel en daarin ook de vaardigheden meenemen waar een leerling wél goed in is. Er wordt bij rekenproblemen vooral gekeken naar de zwaktes van leerlingen, wat bij mij de vraag oproept of een leerling met een rekenstoornis dan geen sterke kanten heeft of kan hebben.’ Marije vervolgt: ‘Kinderen die op één vlak binnen rekenen zwakker scoren, zouden op andere domeinen op een hoger niveau kunnen komen dan verwacht. Zo kun je als leraar de kracht van je leerling opzoeken en laten groeien. Stel dat een leerling moeite heeft met verhaaltjessommen, dan kan de leraar zeggen: ‘Maar kijk, voor deze verhaaltjessom heb je de tafels van vermenigvuldiging nodig. Daar ben jij wél goed in!’. Idealiter zou per leerling een sterkte-zwakteprofiel moeten worden bepaald om beter in te spelen op de onderwijsbehoeften van leerlingen met rekenproblemen. Dat klinkt ingewikkeld, maar hoeft zeker niet tijdrovend te zijn: leraren hebben al veel informatie tot hun beschikking die iets zegt over de vaardigheden van leerlingen. Zo zien leraren tijdens de instructie en tijdens het nakijken al patronen in de fouten die een leerling maakt. Die kunnen een beeld geven van waar iemands grootste rekenprobleem zit, maar ook van welke vaardigheden eigenlijk best goed gaan. Als je je daarvan bewust bent, kun je vervolgens per les gerichter kijken welke leerling meer ondersteuning nodig heeft.’

 

 

De dagelijkse praktijk

‘Iedere leerling is verschillend als het gaat om zijn specifieke zwaktes of sterktes op het gebied van rekenen. De ene heeft moeite met het memoriseren van de (deel)tafels, de ander met het omzetten van breuken in procenten en kommagetallen en weer een ander laat vooral lage scores zien in meten, tijd en geld. Voor de dagelijkse onderwijspraktijk is het belangrijk om goed in beeld te hebben in op welke onderdelen een leerling uitvalt. Dit kan met behulp van methodetoetsen en toetsen uit het LVS, maar vindt liever nog op een eerder moment plaats, omdat dan tijdig kan worden bijgestuurd wanneer het leren nog niet goed lukt. Daarbij kan gedacht worden aan het nog niet beheersen van een lesdoel na de instructie en begeleide oefening (controle van begrip), opvallende foutpatronen in de zelfstandige verwerking en rekengesprekken waarin de leerling zelf aangeeft wat hij nog lastig vindt. Aan de domeinen waar rekenproblemen zich voordoen, dient extra aandacht te worden besteed in de klas. Bijvoorbeeld door preteaching in te zetten om voorafgaand aan de les al wat extra toelichting te geven over belangrijke concepten en door na de les verlengde instructie te geven waarin het lesdoel in kleinere stappen wordt behandeld en herhaald. Het is dus belangrijk om tijdens de rekenles goed in beeld te hebben welke leerlingen met welke onderdelen moeite hebben en dat zal heel waarschijnlijk per lesdoel verschillen!

‘Rekenen is dus niet iets waar je simpelweg goed of slecht in bent, zo blijkt uit het onderzoek. Alleen al dat als inzicht meegeven, is al heel goed voor het zelfvertrouwen van kinderen. Compensatie ís mogelijk en in ieder kind schuilt veel potentie’, aldus Marije Huijsmans.

Wat betekent deze kennis voor de dagelijkse praktijk? Hoe kunt u dit toepassen in de rekenles van morgen? Tijdens het symposium ‘Alle kinderen kunnen leren rekenen!’ op 6 oktober neemt Marije u hierin mee, samen met diverse andere sprekers. [Update: aanmelden hiervoor is helaas niet meer mogelijk, alle plaatsen zijn uitverkocht!]

Dyscalculie rekenen
Marije Huijsmans onderwijsadviseur
Share This